Dag 102: Fietsvrienden

Door Peter (West-Yellowstone, Wyoming – kilometerstand 5812,4)

Nog opgetogen over die glimp van de grizzly rijden we de volgende ochtend West-Yellowstone in, een toeristenfuik aan de noordwestelijke grens van Yellowstone National Park. We stoppen bij een fietsenwinkel waarvan een hoek is ingericht als coffeeshop. Dat is een combinatie waar we doorgaans heel blij van worden. Tegen de zijmuur van die winkel staat een fiets met twee spuitbussen bear spray op het frame. Dat zijn direct ook de enige twee dingen die nog aan het voertuig vast zitten. Ernaast staat een jongen die het middelpunt vormt van een zee aan spullen: tassen, schoenen, flessen, een soort boombox, een enkel onderdeel van de fiets; alles ligt schijnbaar zonder enige logische ordening op de grond om hem heen.

De jongen ziet ons en stapt uit zijn cirkel van troep. Hij is begin twintig, vermoeden we, en hij heeft krullen en wat vlassige gezichtsbeharing waar witte, niet goed uitgesmeerde zonnebrand in zichtbaar is. Hij heeft gezien dat wij ongeveer evenveel spullen bij ons dragen als hij, zij het dan iets meer geordend, en daaruit geconcludeerd dat we dus ook een lange afstand afleggen op onze fietsen. Dat maakt ons vrienden, lijkt hij te besluiten.

Sinds een paar dagen komen we ze mondjesmaat tegen, die andere lange afstandsfietsers. We zijn nu in gebied waar drie verschillende erkende fietsroutes over het Noord-Amerikaanse continent elkaar kruisen: de Great Divide mountainbikeroute, de Great Parks route van Jackson Hole in Wyoming naar Jasper in Canada en (wederom) het Trans America Trail, dat de hele VS oversteekt. Bovendien nadert de zomer nu toch echt, wat het fietstoerisme op gang helpt. En fietsers die voor hun plezier duizend, vijfduizend of vijftienduizend kilometer afleggen, zijn niet zo heel anders dan truckers of motorrijders: ze zullen elkaar vrijwel altijd groeten en soms even stoppen om een praatje te maken. Er zijn uitzonderingen – zoals een stel in Grand Teton National Park dat ons geen blik waardig gunde – maar die zijn er alleen om de regel te bevestigen. Een enkeling wil je graag de loef afsteken. Zo was er dat Duitse duo waarvan de man op de vraag waarheen ze onderweg waren met een wat laatdunkende blik naar ons keek en zei: ‘Wie? Wie ko akkros zie hóóóól kuntrie,’ duidelijk met het idee dat wij na een weekje fietsen wel weer in een vliegtuig zouden stappen of op een strand zouden gaan liggen. Ik kon het niet laten en antwoordde: ‘Ah! Wie ko from Miami toe Anchorage, so akkros ZWEI hool kuntries!’ Maar meestal zijn de ontmoetingen alleen maar leuk en wissel je informatie uit over de ernst van de volgende berg of een goede overnachtingsplek.

Over heuvels of overnachtingsplekken kan de jongen met het krulhaar en de verdwaalde zonnebrand ons niets vertellen. Een gelouterde lange afstandsfietser mag hij zich nog niet noemen. Hij is gisteren vertrokken vanuit zijn woonplaats Cody in Wyoming. ‘Ik heb zestig mijl gefietst en net voor Madison Campground onder een brug geslapen. Dat was prima. Maar nu is mijn fiets kapot.’ Hij wijst op zijn bagagedrager, die binnen een etmaal is bezweken onder het gewicht van al die spullen die om hem heen verspreid op de grond liggen en nu door een hoop ductape nog enigszins verbonden blijven met de rest van de fiets. De eigenaren van de winkel werken binnen aan een meer structurele oplossing. We praten even over onze bestemmingen. De jongen is onderweg naar een conferentie in Banff, Canada, waar hij zal gaan praten over het thema ‘calorieën als de oorspronkelijke betaaleenheid’. ‘Kijk, toen er nog geen auto’s of andere machines waren, moest iedereen wel calorieën verbranden om iets te krijgen of te doen. Toen kostte alles dus eigenlijk calorieën, snap je?’ We snappen dat stuk op zich nog wel, maar de rest van zijn verhaal wordt minder helder. Hij betoogt dat een gallon benzine, als calorieën zouden worden omgerekend naar hedendaags geld, eigenlijk driehonderd dollar zou moeten kosten in plaats van de huidige drie. ‘Dat kan niet, dat weet ik ook wel, maar het gaat om het idee.’

Als we even later aan de overkant van de straat op een bankje zitten, zien we hoe hij vergeefs probeert een anderhalve meter groot bord, waarop zijn blog staat vermeld, aan zijn fiets te bevestigen. Zelfs in stilstand blaast de wind het al voortdurend van het frame. De vrouw van de winkel komt naar buiten met een nieuwe, stevigere bagagedrager. Terwijl we zitten te lunchen, zie we de jongen wegfietsen in de richting die wij zo ook zullen kiezen. Al zijn bagage hangt weer aan zijn vervoermiddel.

Nog geen tien kilometer buiten West-Yellowstone komt een andere zwaar beladen fietser aan de overkant van de weg op ons af. Dit is een Europeaan, stellen we vast. Daar krijg je oog voor: Europeanen fietsen met andere spullen dan Amerikanen. Ze nemen doorgaans hun eigen fietsen mee, van merken die in de VS zeldzaam of helemaal niet te krijgen zijn (onze Santosfietsen van Nederlandse bodem leveren ons hier een hoop complimenten op), en hebben doorgaans niet alleen twee tassen achter, maar ook twee naast hun voorwielen, wat hier vrij ongebruikelijk is. De absolute doorslag geeft het slot dat het achterwiel blokkeert: bij ons de standaardmanier om een fiets te beschermen, in Amerika een absolute bezienswaardigheid.

De man in kwestie laat ons niet lang in onzekerheid over de vraag uit welk Europees land hij dan zou komen. Hij steekt de straat over, rijdt recht op ons af, stopt voor onze neus, wijst op zijn T-shirt, waarop reclame staat voor een ‘bouw- en klusbedrijf’ en zegt, met een onmiskenbaar Gronings accent: ‘Da’s wel duidelijk hè?’ Hij steekt zijn hand uit. ‘Joop.’ Ik ben even van slag. ‘Ja, da’s wel duidelijk. Maar hoe weet jij dat wij…’ ‘O’, zegt Joop, ‘ik kwam net een jongen tegen die zei dat hij twee Nederlanders had ontmoet en dat die niet ver achter hem zaten. En één en één is twee, niet?’ ‘Een jongen met krulhaar en zonnebrand op zijn gezicht? Uit Cody?’ ‘Ja, die.’

Joop (67) heeft vrouw, kinderen en kleinkinderen achtergelaten in Ten Boer en rijdt nu in zijn eentje het Trans America Trail, van Oregon naar Virginia, waar hij een kleine drie maanden over zal doen. Hij heeft geen last van de eenzaamheid, vertelt hij, mede doordat hij voortdurend doet wat hij ook nu heeft gedaan: op anderen afstappen en praten. Maar het is niet voor iedereen weggelegd, dat soloreizen, weet hij inmiddels ook. ‘Ik kwam een man tegen die ook in zijn eentje was, maar die was er totaal depressief van geworden. Die vond het helemaal niets.’ We praten over onze reizen (‘In Miami begonnen? Da’s een end zeg. Nou nou’), wisselen tips uit, maken een foto van elkaar en beloven dat we elkaars blogs zullen gaan lezen. Net voor hij weer verder rijdt, op weg naar de Oostkust, kijkt Joop voor zich uit naar de weg die hem naar West-Yellowstone zal brengen. Voor ons was het een bescheiden klim, voor hem wordt het heerlijk afdalen naar het stadje. ‘Ik krijg nog even een cadeautje, niet?’ Hij wrijft nog net niet in zijn handen. Joop maak je vermoedelijk niet snel gek of chagrijnig.

Zelf klimmen we nog even door en slaan dan links Highway 287 op, een smalle weg door open landschap, waar de wind ons recht in het gezicht blaast. Die beer was blijkbaar ons cadeautje van vandaag, nu moet er even gewerkt worden. Maar het is nog maar zo’n twintig kilometer naar onze camping aan de Madison River. Al na een tiende deel daarvan zien we een bekend fenomeen. Tegen een elektriciteitspaal langs de kant van de weg staat een fiets met een heleboel spullen in een wijde cirkel eromheen. Als we de wind nog eens honderd meter getrotseerd hebben, zien we van achter de paal een bos krullen verschijnen. Daar is de jongen uit West-Yellowstone weer, in nagenoeg dezelfde scène als een paar uur eerder. Deze keer staat hij niet met een kapotte bagagedrager in zijn hand, maar met het achterwiel van zijn fiets. Als we vragen of alles oké is, begint hij aarzelend: ‘Nou, het is wel oké, denk ik, maar er zat iets scherps in mijn achterband en dat is door mijn binnenband heen gegaan. Die heb ik vervangen en ik heb ductape aan de binnenkant van de band geplakt. Ik denk dat het wel goed is zo.’ Ductape is de oplossing voor al zijn problemen, zo lijkt het, al vragen we ons af of een reserveband, of op zijn minst een pincet of tangetje om dat scherpe voorwerp weg te halen, niet een beter idee was geweest. We helpen hem met het terugplaatsen van zijn wiel en de jongen maakt graag gebruik van de grote fietspomp die Lotte achterop meetorst. Als het leed geleden en het werk gedaan is, vraagt hij ineens: ‘Waar zullen we vanavond gaan slapen?’ Ik noem de naam van onze camping. Het lijkt hem wel wat. ‘Dan kijk ik gewoon ook of er een plek vrij is daar.’ Omdat we inmiddels toch al wel wat hebben meegemaakt samen en we nu zelfs officieel een party of three lijken te zijn geworden, stellen we ons officieel voor. John is de naam – een naam die volgens Lotte even slecht klopt bij hem als Truus bij haarzelf zou passen. Maar John is John.

John stapt vol optimisme weer op en trapt stevig door: na een kilometer is hij nog maar een bescheiden stip in de verte. Maar dan begint een heuvel en hij is duidelijk geen klimmer. Als we hem inhalen, nestelt hij zich comfortabel achter ons in ons nu driekoppige treintje. Hij heeft een speaker aan zijn stuur, waaruit vrolijke muziek komt. Hij hijgt harder dan wij. Eigenlijk is het wel gezellig om hem erbij te hebben. Die avond slapen wij in een kleine cabin aan de rivier en John in een tentje iets verderop. Hij komt langs om zijn eten af te geven, zodat we het veilig binnen kunnen bewaren: hij heeft weliswaar die bearspray gekocht voor het geval een beer hem iets te enthousiast zou benaderen, maar er niet aan gedacht dat er ook middelen zijn om de kans dat dat gebeurt te verkleinen. John blijft een uurtje hangen en we leren hem beter kennen. Hij is een snowboardinstructeur-annex-skateboarder-annex-inspirator van drieëntwintig. Hij is spiritueel (‘Ik rijd alleen, maar ik rijd zeker niet alleen, snap je?’) en hij gelooft niet in politiek, die alleen maar draait om hebzucht. ‘Maar er zijn dingen aan het veranderen. The cracks are beginning to show.’ Wat dat precies betekent, wordt ons niet helemaal duidelijk. We kijken elkaar soms wat meewarig aan. Hij is jong, zijn theorieën zijn wat vaag en hij gebruikt soms wel erg grote woorden (‘Ik wil geen kleine stem van protest zijn, maar een voorbeeld geven.’), maar aan de andere kant is een wat ongeleide fietsende wereldverbeteraar nog altijd beter dan een leeftijdsgenoot die zijn dorp nooit uitkomt en helemaal niets doet. En Lotte had niet helemaal ongelijk: John heet eigenlijk John Elijah, wat al veel beter klinkt in combinatie met het bijbehorende plaatje.

De volgende ochtend wekt hij ons in alle vroegte met gejodel. Hij stopt zijn enorme zak eten weer in een tas aan zijn fiets en stapt op. ‘Misschien zie ik jullie vanavond in Ennis.’

 

Peter helpt John als zijn fiets het (weer) heeft begeven

Joop en Peter

Dag 103: Crazy Americans

Door Lotte (Ennis, Montana – kilometerstand 5854,9)

We hebben John vanochtend een flinke voorsprong gegeven door op ons dooie gemak te ontbijten bij het Campfire Lodge Resort dat in de wijde omtrek bekendstaat om z’n voortreffelijke pannenkoeken, al wordt dat vooral gepropageerd in uitingen van het resort zelf. Peter heeft een doodordinaire omelet besteld, maar ik wil die pannenkoek wel. Alleen dan niet met maplesiroop of iets anders zoets, zoals gebruikelijk in Amerika. Ik wil een kaaspannenkoek. En ook nog een stack: twee dus, want de Amerikaanse zijn doorgaans dikker, maar wel heel klein en ik moet nog een eind fietsen. ‘Kaas erop?’, vraagt de ober vol afgrijzen. ‘Serieus?’ Ja, echt. Tien minuten later komt de eigenaresse van de lodge aan onze tafel. ‘Even over die kaas, wil je die op beide pannenkoeken? Weet je dat echt zeker?’ Een beetje geïrriteerd zeg ik ja, echt, zeker, want zo raar is mijn bestelling nou toch ook weer niet? Dacht ik? Tot een kwartier later een bord op tafel wordt gezet met daarop een stapel van twee pannenkoeken met acht plakken kaas ertussen en ook nog erop. Formaat familiepizza en dan zo’n zeven centimeter hoog. De bestelling komt maar vast met vier plastic zakjes. Het gezelschap naast ons lacht me volkomen terecht hartelijk uit. Nou, we hebben nu anders wel ontbijt, lunch en diner voor vandaag. En ontbijt voor morgenochtend ook nog.

Na een behoorlijk zware etappe van 81 kilometer met flinke tegenwind en constante zwermen muggen om ons heen arriveren we om drie uur in Ennis, een westernstadje dat in 1860 werd gesticht en door z’n ligging aan de met forel gevulde Madison River een populaire bestemming is voor vliegvissers, ongetwijfeld een van de redenen dat het nog steeds een vrij levendige Main Street heeft. Van John ontbreekt ieder spoor. We zetten onze tent op in het wat minder karakteristische Camper Corner RV Park aan het eind van het dorp en maken rechtsomkeert, het dorpscentrum in. Willie’s Distillery verkoopt cocktails, zegt het bord voor de deur. Willie’s it is. In het proeflokaal bestellen we drankjes met huisgebrouwen bourbon en huckleberrysiroop bij manager Fonda (42), een stevige vrouw met een prettige uitstraling en een sterke mening. Ze is half native, vertelt ze als we vragen naar haar wortels. Haar moeder is blank, vandaar die sproeten en groene ogen, maar haar vader is honderd procent indiaan. Als we haar kort vertellen over onze reis en ons boek, vat ze in een paar zinnen samen wat onze conclusie over de echte Amerikaan zou moeten zijn. ‘Mijn gemiddelde landgenoot, inwoners van moderne steden als New York en Portland buiten beschouwing gelaten, is bang en onwetend’, zegt ze. ‘Niet per se dom, begrijp me niet verkeerd. Maar wel slecht geïnformeerd.’ Dat komt doordat veel Amerikanen volgens Fonda nauwelijks reizen. Ze ervaren daarom weinig van de wereld, zelfs van hun eigen land, en dat verklaart hun doorgaans inwaarts gerichte blik. ‘Ik zal niet zeggen dat alle Amerikanen om die reden ook xenofoob zijn, maar het gaat wel op voor het meerendeel. Het feit dat ze onwetend zijn is vaak niet eens hun eigen schuld’, voegt ze vergoelijkend toe. ‘Want Amerikanen krijgen niet, zoals de meeste Europeanen, een bak vakantiedagen per jaar waarmee ze op ontdekkingsreis kunnen. Jullie reizen zes maanden. Heb je daarvoor je baan op moeten zeggen? Nee? Dat is zoooo Europees! Dat zou hier volstrekt onmogelijk zijn. Hier moet je een heel jaar werken om een weekje vrij te kunnen krijgen. En dan kom je dus niet zo ver en zie je dus niet zoveel. Texanen kennen Texas en dat was het wel zo’n beetje.’ Zelf komt Fonda uit een klein stadje in Ohio. Als ze er bij vrienden of familie op bezoek is, ziet ze steevast veel van haar oude klasgenoten die hun geboorteplaats nooit hebben verlaten. ‘Kom je terug naar hier, vragen ze me dan. Nee man, ik woon in Montana, zeg ik terug.’

‘Een man als Donald Trump speelt haarfijn in op die angst en het gebrek aan kennis’, weet Fonda. Zijn populariteit is volgens haar ook deels te wijten aan het faillissement van het onderwijssysteem. ‘Dat is ook veel te weinig internationaal, veel te veel naar binnen gericht.’ Fonda lacht schamper. ‘De speeches van Trump bestaan bijna volledig uit woorden met maximaal twee lettergrepen. Natuurkundige Stephen Hawking noemde hem vorige week in een televisieinterview een demagoog die zijn publiek aanspreekt op the lowest common denominator. Prompt verschenen er online allerlei boze reacties van Trump-aanhangers. Als Hawking hen beledigde, wat vermoedelijk het geval was, kon hij dat toch ook in normaal Engels doen? Google meldde vlak erna een significante stijging in zoekopdrachten naar de woorden demagoog en denominator. En Stephen Hawking ook nog.’

‘Waarom denk je dat zoveel Amerikanen wapens hebben?’, vraagt Fonda. ‘Echt niet alleen maar om mee te jagen. Veelal omdat ze bang zijn voor crazy Americans. In Shedhorn Sports hier verderop in de straat ligt een assortiment van vijftienhonderd wapens. Vijftienhonderd. Er wonen 840 mensen in dit dorp! Hier in Ennis heeft iedereen al een gun, sommigen hebben er wel vijf. Ik heb er nul. Ik wens niet op die manier te leven. Ik ben niet bang.’

 

Fonda